Deze website draagt het AnySurferlabel, een Belgisch kwaliteitslabel voor toegankelijke websites. Meer informatie vindt u op www.anysurfer.be.

Normaal LettertypeGroter LettertypeGrootste Lettertype
U bent hier:
 
 

Armoede in Vlaanderen

U vindt hier een beknopt overzicht van enkele gegevens over armoede in Vlaanderen. Meer uitgebreide gegevens vindt u onder meer terug in het Vlaams Actieplan Armoedebestrijding en in de Vlaamse armoedemonitor 2011 (pdf, 1,03 MB). De situatie van de kinderarmoede in Vlaanderen wordt meer in detail beschreven in het rapport Kinderarmoede in Vlaanderen (pdf, 416 kB) van de Studiedienst van de Vlaamse Regering.

Meer dan één op tien personen in Vlaanderen leeft in inkomensarmoederisico 

Om zicht te krijgen op de armoedesituatie van een land of regio wordt traditioneel aangegeven hoeveel mensen moeten rondkomen met een inkomen onder de armoederisicodrempel. Deze drempel is bepaald op 60 procent van het mediaan netto beschikbare gestandaardiseerde huishoudinkomen in het land. Er wordt vanuit gegaan dat personen die leven in een huishouden dat moet rondkomen met een inkomen onder de armoederisicodrempel een verhoogd risico op armoede lopen. Door het huishoudinkomen te standaardiseren wordt rekening gehouden met de grootte en samenstelling van het huishouden.

Concreet lag de Belgische armoederisicodrempel volgens de EU-SILC-survey van 2010 voor een alleenstaande op 11.678 euro per jaar of 973 euro per maand. Omgerekend is dat voor een gezin met 2 volwassenen en 2 kinderen 2.043 euro per maand. Iets meer dan 1 op de 10 Vlamingen (10,4%) moest in 2010 zien rond te komen met een inkomen onder deze armoederisicodrempel. Dat komt overeen met ongeveer 650.000 personen.

Inkomensarmoederisico Vlaanderen – Percentage personen met een equivalent beschikbaar inkomen lager dan 60% van het mediaan nationaal equivalent inkomen

 

2004

2005

2006

2007

2008

2009

2010

Vlaams inkomensarmoederisico volgens Belgische drempel

11,3

11,2

11,4

10,9

10,1

10,1

10,4

Bron: EU SILC

Bepaalde doelgroepen worden echter geconfronteerd met een (veel) hoger armoederisico: vrouwen, 65-plussers, alleenstaanden, eenoudergezinnen, personen die niet werken, werkloze gezinnen, huurders en personen van vreemde afkomst. Deze risicogroepen worden vaak ook geconfronteerd met schuldoverlast, zoals blijkt uit hun oververtegenwoordiging bij de erkende instellingen voor schuldbemiddeling.

Inkomensongelijkheid

Een andere maat voor de inkomensongelijkheid is de gini-coëfficiënt. Deze coëfficiënt brengt de inkomens van de gehele bevolking in rekening. De maat geeft een waarde tussen 0 en 100 waarbij 0 staat voor een samenleving waar iedereen een gelijk inkomen heeft en 100 voor een samenleving waar al het inkomen toekomt aan 1 persoon. Vlaanderen haalde in 2010 een waarde van 24,9. Ook dit cijfer is tussen 2004 en 2010 niet significant gestegen of gedaald.

Mensen in armoede ervaren uitsluiting op verschillende levensdomeinen tegelijk

In Vlaanderen participeren mensen in armoede vaak op meerdere domeinen tegelijk niet of in mindere mate. Uitsluiting op één domein is vaak het gevolg en de oorzaak van uitsluiting op andere domeinen. Mensen in armoede lopen bovenop de uitsluiting op al deze levensdomeinen ook een groter risico uitgesloten te worden door de groeiende digitale kloof.

Drempels

Mensen in armoede zijn vaak niet op de hoogte van hun rechten, waardoor ze geen voordeel hebben bij aan aantal maatregelen die hun leven kunnen verbeteren. Mensen in armoede worden ook met tal van drempels geconfronteerd wanneer ze beroep (willen) doen op maatschappelijke hulp- en dienstverlening in brede zin. Het betreft niet alleen de betaalbaarheid van de hulp- en dienstverlening. Ook een aantal randvoorwaarden zijn vaak afwezig: een goede mobiliteit om ter plaatse te geraken of het beroep kunnen doen op kinderopvang. Ook eerder sociaal-culturele en psychologische drempels spelen mee: mensen voelen vaak schaamte, beschikken over onvoldoende informatie over het aanbod of krijgen onduidelijke en onbegrijpelijke informatie. Er is vaak een kloof tussen mensen in armoede en hulpverleners.

Gezin

Volgens de gegevens van Kind en Gezin maakten in 2009 8,3% van alle baby’s die toen werden geboren, deel uit van een kansarm gezin. Het gaat om 5424 kinderen. In vergelijking met 2008 is dit percentage licht toegenomen. Dit ligt 2,4 procentpunten hoger dan in 2001. Het doorbrengen van de kinderjaren (en vooral de eerste levensjaren) in een situatie van armoede kan een blijvende stempel drukken op de ontwikkeling en toekomstkansen van kinderen. De hoge frequentie en intensiteit van stressvolle gebeurtenissen (vaak een dagdagelijkse confrontatie met problemen), onvoorspelbaarheid en instabiliteit op financieel en gezinsvlak, beperkte sociale ondersteuning, blootstelling aan schadelijke stoffen (schimmels, lood), overbewoning en een gebrekkige cognitieve stimulatie, hebben allen een potentiële impact, zeker wanneer ze gecumuleerd voorkomen. Baby’s uit kansarme gezinnen hebben op de leeftijd van één jaar al een maand achterstand opgelopen in hun ontwikkeling ten opzichte van hun leeftijdsgenootjes.

Vrije tijd

Mensen in armoede participeren minder aan vrijetijdsactiviteiten, omdat hen vaak de keuze ontbreekt om dit te doen. Nochtans heeft vrijetijdsparticipatie talrijke positieve effecten, ook in het kader van armoedebestrijding. Zowel actieve als passieve participatie aan sociaal-culturele, sport- of jeugdactiviteiten, maar ook tijd voor recreatie en toerisme dragen bij tot de levenskwaliteit van mensen in armoede. Niet alleen een beperkt inkomen bemoeilijkt vrijetijdsparticipatie, er zijn ook materiële, sociale, culturele en psychologische drempels.

Onderwijs

In het onderwijs is de kloof tussen sterke en zwakke leerlingen bijna nergens groter is dan in Vlaanderen. Kinderen uit de lagere sociale klassen beginnen vaak later aan het kleuteronderwijs en halen die achterstand vaak niet meer op. Kinderen uit kansarme gezinnen lopen meer schoolse vertraging op, komen meer terecht in het technisch en beroepsonderwijs en worden meer georiënteerd naar het bijzonder onderwijs. Vooral jongeren uit de lagere sociale klassen verlaten het secundair onderwijs zonder diploma. Ze nemen dus ook minder deel aan het hoger onderwijs. Hierdoor verminderen hun startkansen op de arbeidsmarkt.

Arbeid

Wie in armoede leeft, kent veelal een hobbelig arbeidsmarktparcours, bevindt zich in een precaire arbeidsmarktsituatie of staat - soms al langere tijd - buiten het arbeidsmarktcircuit. Arbeid heeft ook andere functies dan het louter verschaffen van een inkomen. Het gaat om het structureren van tijd, sociaal contact, het hebben collectieve doelen, status en activiteiten. Deze hangen vaak samen met mentaal (on)welbevinden, (laag) zelfvertrouwen en (geringe) levensvreugde. Het hebben van een job biedt in de meeste gevallen nog altijd een goede bescherming tegen inkomensarmoede. In 2010 bevond in Vlaanderen slechts 4% van wie werkt zich onder de armoederisicogrens. Armoedebestrijding kan zich echter niet beperken tot arbeidsmarktactivering. Ruim twee derden van wie in armoede leeft, is niet activeerbaar voor de arbeidsmarkt. Zowat één op vijf van de mensen in armoede zijn al aan het werk (“werkende armen”), zij het vaak in tijdelijke, deeltijdse, minder goed betaalde of minder duurzame en kwaliteitsvolle banen. Anderen zijn te jong (-18), te oud (65+), te ziek om te werken of studeren nog. Het overige derde is vaak ouder, maar nog niet pensioengerechtigd, of staat ver van de arbeidsmarkt. In 2007 leefde in Vlaanderen 7% van de volwassenen mannen, 10% van de vrouwen en 6% van de kinderen in huishoudens waar niemand werkt. Het inkomensarmoederisico van werkloze huishoudens met kinderen is torenhoog.

Wonen

Mensen in armoede zijn meestal niet in staat om een eigen woning te verwerven en komen dus terecht op de sociale of private huurmarkt. Het armoederisico bij huurders is zowat drie keer groter dan bij eigenaars. Private huurders besteden gemiddeld bijna 30 % van hun inkomen aan huur. Mensen in armoede hebben niet alleen meer problemen om een betaalbare woning te vinden, ze leven ook vaker in een woning die niet over voldoende basiscomfort beschikt. Dit brengt ook problemen mee op andere levensdomeinen, onder meer op het vlak van gezondheid. Een groeiend aantal gezinnen heeft het moeilijk om de elektriciteits- en aardgasrekening te betalen. Meer gezinnen worden dan ook door hun leverancier aan de deur gezet wegens wanbetaling. Niet alleen hogere energiefacturen maar ook een slechte dienstverlening door de leveranciers kunnen gezinnen in kansarmoede verder in de problemen brengen.

Gezondheid

Ook gezondheid volgt de sociale ladder: hoe lager men zich op de socio-economische ladder bevindt, hoe meer de gezondheid van het individu de neiging heeft om te verslechteren en hoe de levensverwachting wordt ingeperkt. Mensen in een problematische financiële situatie zijn daarenboven dikwijls verplicht om gezondheidszorgen uit te stellen wegen een tekort aan financiële middelen. Personen met een lagere socio-economische positie ervaren meer dan anderen fysieke en mentale gezondheidsproblemen, rapporteren meer chronische aandoeningen en langdurige beperkingen en vertonen vaker ‘ongezonder’ of ‘risicovoller’ gedrag. Tegelijk kent men minder ‘gezonde jaren’ en heeft men een hogere kans op vroegtijdige sterfte. Bovendien bemoeilijken financiële en andere drempels nog steeds de toegang tot de gezondheidszorg voor kwetsbare groepen. Daarnaast is depressie een van de vaakst voorkomende vormen van mentale problemen, die een belangrijke negatieve impact heeft op het dagdagelijkse functioneren in de thuis-, arbeids- en sociale omgeving. Ook het subjectieve gezondheidsgevoel is lager bij mensen in armoede.

Meer weten?

Wie meer wil lezen over armoede in Vlaanderen kan onder meer terecht in volgende documenten:

 

 
 
 
Developed by RealDolmen