Subsidiabele oppervlakte t.o.v. bestaande oppervlakte.
Algemeen kan gesteld worden dat de bestaande oppervlakte niet subsidiabel is wanneer de gestelde oppervlaktenormen al bereikt zijn. In dit geval is een uitbreiding van de bestaande oppervlakte in principe immers geen strikte minimumvereiste. Of deze bestaande oppervlakte in het verleden al dan niet gesubsidieerd werd doet hier niets af aan het feit dat ze door de voorziening in het kader van haar doelstellingen effectief gebruikt wordt en dat ze de gestelde oppervlaktenormen bereikt.
Indien men in het verleden geen beroep gedaan heeft op investeringssubsidies had dat wellicht ook zijn goede redenen: een schenking (eigen inbreng is dan nihil), inbreng eigen middelen (positieve financiële resultaten, aangelegde “spaarpot”, snelheid van realisatie, …), enz.
Het volgende voorbeeld maakt één en ander duidelijk:
Een bestaande instelling met een capaciteit van bv. 60 bedden heeft een reële
bestaande oppervlakte van 3.600 m², die in het verleden nooit gesubsidieerd is.
Veronderstel dat de voorziening in gevolge artikel 4, §1 van het VIPA-sectorbesluit
voor de voorzieningen voor personen met een handicap van 6 juli 1994, recht
heeft op een maximum subsidiabele oppervlakte van 60 x 50 m²/bed = 3.000 m².
Deze instelling kan dus volgens de huidige regelgeving geen subsidies meer
verkrijgen voor een uitbreiding van haar infrastructuur binnen de bestaande
capaciteit.
Indien men er zou van uitgaan dat enkel de gesubsidieerde infrastructuur in
aanmerking zou worden genomen voor de bepaling van de bestaande
oppervlakte, dan zou de voorziening bovenop haar al ruime 3.600 m² nog eens op
3.000 m² aanspraak kunnen maken.
In dit geval kan overduidelijk gesteld worden dat de subsidiëring vanwege het
VIPA haar doel totaal voorbij zou gaan en dat de ter beschikking gestelde
middelen voor de sector dan bijzonder onoordeelkundig toegewezen zouden
worden.
Anders is het gesteld met een bestaande infrastructuur die omwille van historische redenen de subsidiabele oppervlakte overschrijdt, en thans geconfronteerd wordt met de mogelijkheid tot uitbreiding van haar capaciteit en, daaraan gekoppeld, een gesubsidieerde uitbreiding van haar infrastructuur in het vooruitzicht stelt.
Hernemen we het voorbeeld:
De voorziening met een bestaande capaciteit van 60 bedden en een bestaande
oppervlakte van 3.600 m² heeft de mogelijkheid en de toelating van de Vlaamse
overheid om 10 bedden bij te creëren.
De maximale subsidiabele oppervlakte is dan (60 + 10) x 50m²/bed = 3.500 m².
D.w.z. dat dan in principe geen uitbreiding van oppervlakte meer kan
gesubsidieerd worden volgens de huidige regelgeving, daar de huidige oppervlakte
de berekende maximale subsidiabele oppervlakte voor het totaal van 70 bedden al
overschrijdt.
Als nu blijkt dat het herschikken van de bestaande oppervlakte om de 10
bijkomende bedden erin te vatten onmogelijk is of leidt tot onaanvaardbare
functionele, bouwtechnische en/of financiële bezwaren, zou het VIPA overwegen
om, uitzonderlijk, en op gemotiveerd verzoek een afwijking toe te staan op de
geldende regels qua maximum subsidiabele oppervlakte bij uitbreiding, en dit in
zoverre de erkennings- en exploitatievoorwaarden dit vereisen.
Voor deze uitzondering is er op dit moment geen reglementaire basis wat de
sector personen met een handicap betreft. Ze dient in de bestaande sectorale
regelgeving nog ingeschreven te worden. Dit vergt een besluit van de Vlaamse
Regering tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 6 juli 1994 (zgn. VIPA-sector-besluit voor de voorzieningen voor personen met een handicap). Een initiatief daartoe zal door VIPA genomen worden.
Kunnen/mogen terrassen voorzien bij de gemeenschappelijke leef- en woonruimtes meegeteld worden in de maximale subsidiabele oppervlakte?:
Neen, voor alle sectoren geldt dat terrassen NIET meegerekend worden als subsidiabele bruto-oppervlakte.