1. PPS
Publiek-private samenwerking, kortweg PPS, is een containerbegrip. Een éénduidige definitie van PPS is niet voorhanden. Zowel op het Vlaamse, Europese als mondiale niveau zijn verschillende definities en omschrijvingen terug te vinden.
Werkbaar gedefinieerd, is PPS een samenwerkingsverband waarin de publieke en de private sector, met behoud van hun eigen identiteit en verantwoordelijkheid, gezamenlijk een project realiseren om meerwaarde te realiseren, en dit op basis van een heldere taak- en risicoverdeling. De meerwaarde kan financieel, maatschappelijk of operationeel zijn. Toegegeven, elk contract tussen een overheid (publiek) en een bedrijf (privaat) impliceert een samenwerking. De ‘samenwerking’ in een PPS-constructie gaat echter verder. Beide partijen maken ruimte om de vooropgestelde resultaten creatiever te behalen. PPS biedt de mogelijkheid om de overheid en de bedrijven zo te laten samenwerken dat ze elk datgene kunnen doen waarin zij het beste zijn. Centraal staat dan ook de idee van een win-winsituatie.
2. PPS-projecten
Het begrip PPS-projecten wordt in het decreet van 18 juli 2003 betreffende publiek-private samenwerking (PPS-decreet) omschreven als “projecten die door een publiekrechtelijke en privaatrechtelijke partij, gezamenlijk en in een samenwerkingsverband worden gerealiseerd om een meerwaarde voor die partijen tot stand te brengen”.
Een geslaagd PPS-project impliceert per definitie een meerwaarde voor alle betrokken partijen, die zowel van financiële, maatschappelijke of operationele aard kan zijn.
3. DBF(M)
DBF(M) (“Design, Build, Finance (and Maintain)”) is een geïntegreerde contractvorm, waarbij diverse onderdelen van de realisatie en desgevallend exploitatie van een project aan één partij worden opgedragen. Met name staat deze partij in voor het ontwerpen (“design”), het bouwen (“build”), het financieren (“finance”) en desgevallend het onderhouden (“maintain”). Bij een DBFO wordt hieraan nog de component “exploiteren” (“operate”) toegevoegd.
De opdrachtgever betaalt een periodieke “beschikbaarheidsvergoeding” voor een “beoogde, gebruiksklare en onderhouden” terbeschikkingstelling van het goed gedurende een bepaalde periode. De looptijd van een dergelijk contract is doorgaans gekoppeld aan de afschrijvingsduur van het gebouw (dikwijls dertig jaar).