Op 10 februari 2012 keurde de Vlaamse regering de wijziging van het uitvoeringsbesluit betreffende de armoedebestrijding goed (*). Hiermee wijzigen een aantal belangrijke elementen in de erkenning en subsidiëring van verenigingen waar armen het woord nemen.
Voor een volledig overzicht van alle wijzigingen, raadpleegt u best de publicatie in het Belgisch Staatsblad (nog te verschijnen) of de gecoördineerde wetgeving in juriwel.
Invoering programmatie
Het uitvoeringsbesluit voert een programmatie in waardoor maximaal 52 verenigingen waar armen het woord nemen erkend kunnen zijn. Om een spreiding van de erkende verenigingen te garanderen, wordt gewerkt met zes programmatieregio’s die samenvallen met de provinciegrenzen. In de programmatieregio’s West-Vlaanderen, Vlaams-Brabant, Limburg en Brussel (het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad) kunnen telkens maximum 9 verenigingen erkend zijn. In de programmatieregio’s Oost-Vlaanderen en Antwerpen kunnen telkens maximum 14 verenigingen erkend zijn.
Een erkenningsaanvraag uit een programmatieregio waar al het maximum aantal verenigingen erkend is, is niet ontvankelijk en wordt niet verder behandeld. Dit geldt voor alle nieuwe erkenningsaanvragen van zodra het globale maximum van 52 erkende verenigingen bereikt is. De bepalingen rond programmatie treden al in 2012 in werking.
Expliciteren werkingscriteria
De werkingscriteria die tot nu in een ministerieel besluit (**) waren opgenomen, zijn nu verwerkt en verder verduidelijkt in het uitvoeringsbesluit. Dit bepaalt dat een vereniging, naast de andere erkenningscriteria, om erkend te worden (en te blijven) moet voldoen aan volgende werkingscriteria:
a) op jaarbasis minimaal vijftien armen in de werking betrekken die elk ofwel minimaal driemaal op jaarbasis deelnemen aan de werking van de vereniging die hoofdzakelijk betrekking heeft op de criteria, vermeld in artikel 8, tweede lid, 5° en 6°, van het decreet van 21 maart 2003, ofwel een structurele verantwoordelijkheid opnemen binnen de werking van de vereniging die hoofdzakelijk betrekking heeft op de criteria, vermeld in artikel 8, tweede lid, 1°, 2° en 4°, van het decreet van 21 maart 2003;
b) op jaarbasis minimaal drie informatie- of vormingsactiviteiten over maatschappelijke thema’s organiseren, waarbij per activiteit minstens zes armen worden bereikt en waarbij het totale aantal deelnames van armen aan al die activiteiten samen minstens 24 bedraagt;
c) op jaarbasis minimaal drie informatie- of vormingsactiviteiten over armoede organiseren, waarbij per activiteit minstens zes niet-armen worden bereikt en waarbij het totale aantal deelnames van niet-armen aan al die activiteiten samen minstens 36 bedraagt;
d) op jaarbasis rond minimaal één beleidsthema werken met toepassing van de zes criteria, vermeld in artikel 8, eerste lid, 4°, van het decreet van 21 maart 2003, en daarover in dialoog gaan met de samenleving door er minimaal twee actoren bij te betrekken, waarvan minstens één actor een bijdrage kan leveren aan een oplossing voor de ervaren problemen;
e) in de vereniging een kwaliteitsbeleid uitwerken rond het werken overeenkomstig de zes criteria, vermeld in artikel 8, eerste lid, 4°, van het decreet van 21 maart 2003.
Later in het jaar zal via ministerieel besluit bepaald worden hoe een vereniging haar activiteiten en doelgroep moet registreren. Ook de verdere regels voor het kwaliteitsbeleid worden later op het jaar vastgelegd. Hiervoor zal elke vereniging een aantal methodieken moeten inzetten om het werken rond de zes criteria in de eigen werking te evalueren en bij te sturen waar nodig. In overleg met het Vlaams netwerk wordt bekeken op welke manier dit vorm kan krijgen. De bepalingen rond de werkingscriteria treden al in 2012 in werking.
Referentiekader grensoverschrijdend gedrag
Erkende verenigingen moet een referentiekader voor grensoverschrijdend gedrag ontwikkelen. Dit geeft weer op welke manier de vereniging omgaat met grensoverschrijdend gedrag, zowel op het vlak van preventie, detectie als de gepaste reactie wanneer het zich toch voordoet. Het Vlaams netwerk zal hier een ondersteunende rol in opnemen.
De bepalingen rond grensoverschrijdend gedrag treden al in 2012 in werking.
Onderscheid subsidiecategorieën
Het huidige onderscheid tussen categorie 1 en categorie 2 verenigingen vervalt. Erkende verenigingen worden gesubsidieerd als lokale vereniging of als bovenlokale vereniging.
De bepalingen rond subsidiëring treden op 1 januari 2013 in werking. Enkel voor bovenlokale verenigingen geldt dat een beleidsplan 2013-2015 moet ingediend worden uiterlijk 15 mei 2012.
Lokale verenigingen
Standaard ontvangt elke erkende vereniging een subsidie als lokale vereniging. Hiervoor moet de vereniging geen jaarplan meer indienen. De jaarlijkse subsidie voor lokale verenigingen bedraagt 46.240 euro. Elke vereniging moet een werkingsverslag over het afgelopen kalenderjaar indienen voor 1 mei. De administratie evalueert op basis hiervan of de vereniging nog steeds aan de erkenningscriteria voldoet. Is dat niet het geval, dan wordt de vereniging gevraagd zich in regel te stellen en zal een inspectie worden uitgevoerd. Als hieruit blijkt dat de vereniging niet meer aan de erkenningscriteria voldoet, wordt de erkenning ingetrokken.
Bovenlokale verenigingen
Maximum twee erkende verenigingen kunnen een subsidie als bovenlokale vereniging aanvragen. Voor deze verenigingen gelden specifieke werkingscriteria:
a) het ontplooien van eigen activiteiten in minstens vier programmatieregio’s;
b) op jaarbasis minimaal twintig armen bereiken overeenkomstig artikel 23, §1, eerste lid, 2°/1, a), en minstens vier armen in elk van die programmatieregio’s;
c) op jaarbasis minimaal vijf informatie- of vormingsactiviteiten organiseren overeenkomstig artikel 23, §1, eerste lid, 2°/1, b), en minstens één in elk van die programmatieregio’s;
d) op jaarbasis minimaal vijf informatie- of vormingsactiviteiten organiseren overeenkomstig artikel 23, §1, eerste lid, 2°/1, c), en minstens één in elk van die programmatieregio’s.
Om als bovenlokale vereniging gesubsidieerd te worden, moet een vereniging een beleidsplan opmaken. Verenigingen die vanaf 2013 een subsidie als bovenlokale vereniging willen ontvangen, moeten voor 15 mei 2012 hun beleidsplan 2013-2015 indienen bij de administratie. Vanaf 2016 loopt het beleidsplan over vijf jaar. De minister moet het beleidsplan van de bovenlokale verenigingen goedkeuren. Als twee bovenlokale verenigingen over een goedgekeurd beleidsplan beschikken, kan voor de duur van dat beleidsplan geen andere aanvraag als bovenlokale vereniging worden ingediend.
Bovenlokale verenigingen ontvangen een jaarlijkse subsidie van 65.000 euro gedurende de hele periode van hun beleidsplan (zolang de vereniging aan de voorwaarden voldoet).
Het beleidsplan bevat minstens:
1° een beschrijving van de totstandkoming van het beleidsplan, met bijzondere aandacht voor de betrokkenheid van de doelgroep en de afstemming met het Vlaams Netwerk en andere betrokkenen;
2° in voorkomend geval de ontwikkelingen ten opzichte van het vorige beleidsplan;
3° een opgave van de werkingsgebieden waar de vereniging eigen activiteiten ontplooit;
4° een omschrijving van de verschillende doelgroepen van de vereniging;
5° de strategische doelstellingen en ingezette methodieken binnen de zes criteria, vermeld in artikel 8, eerste lid, 4°, van het decreet van 21 maart 2003;
6° de beoogde resultaten;
7° een overzicht van de externe samenwerkingsverbanden;
8° de interne organisatiestructuur;
9° een begroting voor de volledige periode van het beleidsplan;
10° de personeelsformatie en de toepasselijke salarisschalen;
11° voor het eerste werkjaar: een jaarplan met de operationele doelstellingen, de concrete activiteiten en de begroting.
Reservevorming
Als een verenigingen de toegekende subsidie niet volledig aanwendt, legt ze met het niet verantwoorde deel van de subsidie reserves aan tot maximum het bedrag van de jaarlijkse subsidie. Is de reserve groter dan het jaarlijks subsidiebedrag, dan moet de vereniging het overschot terugstorten aan de Vlaamse overheid. Ook als de activiteiten, waarvoor de reserve werd aangelegd, worden stopgezet, moet de vereniging reserve terugstorten. De bepalingen rond reservevorming treden op 1 januari 2013 in werking
(*) Besluit van de Vlaamse Regering van 10 februari 2012 tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 15 mei 2009 betreffende de armoedebestrijding, wat betreft de erkenning en de subsidiëring van verenigingen waar armen het woord nemen .
(**) Ministerieel besluit van 25 mei 2009 houdende nadere regels betreffende de werking van verenigingen waar armen het woord nemen.